Verkiezingstijd goed moment voor visie op Europa
Verkiezingstijd goed moment voor visie op Europa
De Europese regeringsleiders zullen, in lijn met hun ministers van Buitenlandse Zaken afgelopen weekend, op de Europese Top over twee weken besluiten tot nog een bezinningsjaar over de toekomst van Europa. Dat is, een jaar na het Nederlandse nee tegen de Grondwet, wellicht verstandig, maar dat jaar mag geen duikperiode zijn voor politici die de confrontatie met de burger mijden, zegt Monica Sie Dhian Ho.
De ministers van Buitenlandse Zaken van de EU-landen afgelopen weekeinde bijeen in Klosterneuburg ten noorden van Wenen. In het midden de Oostenrijkse minister Ursula Plassnik, naast commissievoorzitter Barroso.
Volgende week debatteert de Tweede Kamer over de Nederlandse inbreng bij de Europese Top van 15 en 16 juni. Op de agenda staat de toekomst van de Europese Grondwet. Tijdens die Europese Top zullen de 24 collega's van premier Balkenende meer dan normale belangstelling hebben voor het standpunt van Nederland. Immers, de Nederlandse kiezers wezen de Europese Grondwet precies een jaar geleden per referendum af. De Franse kiezers hadden enkele dagen eerder hetzelfde gedaan. En in de consensusmachine die de Europese Unie is, hebben de neezeggers het dan even voor het zeggen.
In antwoord op het Franse en Nederlandse nee kondigden de Europese leiders een bezinningsperiode af. De Nederlandse regering heeft die periode vooral gebruikt om naar de Nederlandse bevolking te 'luisteren', via praatgroepen en een vragenlijst op internet. Nu het uur u nadert waarop van politici een eigen visie wordt verwacht, kiezen de Europese leiders er opmerkelijk genoeg voor om de bezinningsperiode te verlengen, en het debat over instituties voorlopig te laten rusten. Er zou geen consensus zijn over hoe het verder moet. Zichtbare resultaten in plaats van debat over instituties is wat de Europese Unie nu nodig heeft, aldus voorzitter Barosso van de Europese Commissie. De Nederlandse regering schaart zich achter deze 'Elvis Presley-strategie' (Financial Times): 'A little less conversation, a little more action'.
Intussen stelden de Europese ministers van Buitenlandse Zaken het afgelopen weekend dat de Europese Verdragen voor 2009 wel degelijk moeten worden aangepast en wordt geopperd dat met parlementaire ratificatie daarvan zal kunnen worden volstaan.
Onverstandig het Europa van de resultaten kunstmatig te scheiden van institutionele hervorming
Het is om drie redenen onverstandig het Europa van de resultaten kunstmatig te scheiden van institutionele hervorming en te wachten met een Nederlandse politieke inbreng in de discussie over de toekomst van de Unie totdat burgers weer gunstig gestemd zouden zijn over Europa.
Ten eerste omdat op die manier in Europa onvoldoende duidelijk wordt wat de specifieke achtergronden zijn van het Nederlandse nee. Huidige en toekomstige initiatieven om uit de institutionele impasse te komen, houden dan geen rekening met de Nederlandse gevoeligheden.
Wat waren dan die achtergronden van het Nederlandse nee?
Uit de Nederlandse Referendum Studie 2005 van de Universiteit Twente blijkt dat het stemgedrag sterk samenhing met verschillende angsten en verwachtingen. Burgers maken zich zorgen over de gevolgen van Europa voor hun sociaal-economische toekomst. Slechts 30 procent van de Nederlandse kiezers denkt dat de welvaart toeneemt door Europese integratie, terwijl de helft van de kiezers meent dat Europa de sociale zekerheid bedreigt. De gegevens maken verder schrijnend duidelijk dat met name de lagergeschoolden en uitkeringsgerechtigden zich bedreigd voelen door Europa.
Daarnaast maken de Nederlanders zich zorgen over de gevolgen van Europa voor de Nederlandse manier van leven. Ruim 40 procent van de kiezers denkt dat de Nederlandse identiteit en cultuur worden bedreigd door de Europese eenwording. Men vreest dat de invloed van Nederland kleiner zal worden en hecht in meerderheid sterk aan het Nederlandse vetorecht. De discussie over de nationale identiteit en invloed in Europa speelde veel sterker in Nederland dan in Frankrijk.
Rancune over de invoering van de euro hing eveneens samen met het stemgedrag. Afgezien van klachten over te goedkope inwisseling van de gulden en hoge inflatie, staat de euro symbool voor de politiek van de voldongen feiten.
Van de 24 EU-lidstaten waar dit is onderzocht, zijn de Nederlanders het minst tevreden over de Europese democratie. Onderzoekers wijzen op het wegvallen van de stilzwijgende consensus onder de Nederlandse bevolking dat Europa ons aller belang dient. Lang vonden de Nederlanders Europa vooral een technocratisch en politiek weinig opwindend project, dat je aan diplomaten kan overlaten.
Stilzwijgende consensus omgeslagen in wantrouwende alertheid onder bevolking
Het was deze consensus die de beleidsmakers mandateerde het Europese beleid als regenten te voeren, in een overtreffende trap van de Nederlandse politieke cultuur. Deze stilzwijgende consensus is nu omgeslagen in een wantrouwende alertheid onder de bevolking en het gevoel onder de politieke elites dat hun mandaat hen uit handen is geslagen.
En daarmee komen we op de tweede reden waarom een politiek debat over de toekomst van Europa nu urgent is. Niet alleen de Nederlandse burgers, maar ook politici en bestuurders zijn hun vertrouwde koers kwijt in het nieuwe Europa. Als we de schijnwerper verplaatsen van de bevolking naar de politieke elites in Nederland, dan blijkt dat burgers hun onzekerheid, verdeeldheid en kritiek van geen vreemde hebben. Tot eind jaren tachtig werd de Nederlandse politiek in Europa bepaald door constanten als een Atlantische orientatie in het buitenlands- en defensiebeleid, niet-aflatende steun voor economische integratie; en een sterke voorkeur voor integratie volgens de zogenaamde communautaire methode (inclusief meerderheidsbesluitvorming) als waarborg tegen machtsmisbruik door de grote lidstaten. Maar sinds het einde van de jaren tachtig is een aantal omstandigheden dat ten grondslag lag aan deze Nederlandse tradities ingrijpend veranderd. Het Nederlandse beleid is daardoor meer ad hoc geworden, en meer gevoelig voor de inbreng van individuele politici. Een nieuwe consensus over de koers lijkt nog ver te zoeken.
Daarnaast is de aanpassing van het Nederlandse zelfbeeld - van oprichter van de Europese Gemeenschap naar een van de vele kleine landen in een Unie van 25 - een pijnlijk proces. De makers van het Nederlandse Europabeleid voelen dat hun invloed tanende is. Zij vrezen dat het steeds lastiger zal worden om, zoals van oudsher, de steun voor Europa te ontlenen aan hetgeen Europa voor de Nederlanders presteert. Zij zien zich voor de lastige taak gesteld de 'macro en abstracte' voordelen van Europese integratie uit te leggen, terwijl de verliezers van de Europese concurrentie herkenbaar en invoelbaar op tv komen.
Europese Grondwet bevatte domweg onvoldoende goed nieuws om politiek mee voor de dag te komen
Tegen deze achtergrond bevatte de Europese Grondwet domweg onvoldoende goed nieuws om politiek mee voor de dag te komen. Een enkele politicus heeft gedreven campagne gevoerd, maar de meeste voorstanders uit de Tweede Kamer hebben zich niet vertoond of wekten de indruk vooral hun plicht te vervullen.
'Het is een belediging de burger te vragen over iets te beslissen waar politici eigenlijk het antwoord niet op weten', aldus Europarlementarier Andrew Duff over het Nederlandse referendum. Het parlementaire initiatief tot het houden van een referendum was volgens Duff vooral een uiting van de crisis van de politieke partijen in Nederland.
Willen politieke partijen deze kritiek weerleggen, dan staan zij voor een belangrijke opdracht tijdens de geprolongeerde bezinningsperiode. Zij hebben de verantwoordelijkheid om het voortouw te nemen in het debat over de toekomst van Europa. Als politici duidelijke keuzen voorleggen en uiteenlopende standpunten innemen, kunnen burgers hun mening vormen over deze ingewikkelde materie en worden betrokken bij de koers van het Nederlandse Europabeleid.
Dit debat zou in zoverre moeten worden genormaliseerd dat maatschappelijke en politieke vraagstukken, beleidsmatige en institutionele oplossingen veel meer in samenhang met elkaar worden besproken. Het gezamenlijke zoekproces naar die nieuwe koers zal tijd kosten, want we zijn in Nederland niet gewend onze democratie te gebruiken voor het maken van Europese politiek.
Maar de tijd is voorbij dat 'resultaat' - ofwel government for the people - voldoet de steun van de bevolking voor Europa te garanderen. Waar pijnlijke keuzen moeten worden gemaakt op gevoelige terreinen is government by the people noodzakelijk voor acceptatie van Europees beleid. Ook om deze reden is de exclusieve inzet op het Europa van de resultaten onverstandig.
Motivaction meldde piek in vertrouwen van Nederlanders in democratie direct na referendum
De derde reden waarom het politieke debat over de toekomst van Europa nu moet worden gevoerd, is dat de aanloop naar de Tweede-Kamerverkiezingen een uitgesproken politiek moment biedt. Als het referendum iets heeft aangetoond, dan is het dat burgers zeer wel bereid zijn zich te informeren en deel te nemen aan debat, indien dit debat politieke relevantie heeft. Onderzoeksbureau Motivaction meldde zelfs een piek in het vertrouwen van de Nederlanders in de democratie direct na het referendum; hun stem had er toe gedaan! Omgekeerd was er nauwelijks animo voor de snel daarop aangekondigde Nationale Europa Discussie, want waartoe moest die discussie politiek strekken?
De komende maanden, die dus samenvallen met de geprolongeerde bezinningsperiode over de Europese Grondwet, bieden wel weer zo'n politiek moment: de discussie over verkiezingsprogramma's, gevolgd door de verkiezingscampagne en de Tweede-Kamerverkiezingen. Bovendien: als in 2009 voor parlementaire ratificatie wordt gekozen, hoort daarbij ook de politieke moed om in verkiezingstijd standpunten in te nemen en burgers te betrekken bij de politieke keuzen die aanstaande zijn. Ook maatschappelijke organisaties, bedrijven, provincies, gemeenten en denktanks hebben hier een rol.
De prioriteiten in dat politiek-maatschappelijke debat vloeien logisch voort uit bovenstaande sociaal-economische, culturele en democratische zorgen die kiezers zich maken ten aanzien van Europa. Hoe perfect moet de Interne Markt zijn? Hoe kan het aanpassingsproces aan mondialisering en de concurrentie binnen de Interne Markt beter worden begeleid, opdat het niet zo hard uitpakt voor bepaalde groepen? Moet dat Europees of nationaal gebeuren? Welke landen mogen onder welke voorwaarden nog lid worden van de Europese Unie? Hoe voorkomen we een sluipende uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie? Hoe veel van onze soevereiniteit zijn we bereid op te geven om de Unie besluitvaardiger te maken?
Bezinningsperiode moet geen schuilplaats voor Nederlandse politici worden.
Wat moeten de speerpunten worden van het Europese optreden op het wereldtoneel? En hoe herstellen we de band tussen burgers en de Unie? Via een catalogus van grondrechten, via uitbreiding van bevoegdheden van het Europees Parlement dan wel de nationale parlementen, of ligt de oplossing vooral ook in een andere politieke cultuur?
Zo'n politiek-maatschappelijk debat in de verkiezingsperiode zal meer bijdragen aan een geinformeerd en democratisch gelegitimeerd Nederlands standpunt over de toekomst van Europa dan een passief 'luisterende' elite die de bal al te gemakkelijk bij de burgers legt en die de standpuntbepaling over de toekomst van de Europese verdragen uitstelt tot na de verkiezingen.
Bron: De Volkskrant juni, 2006





