SKAR over positie Rotterdamse kunstenaars

Onderzoek biedt helder beeld positie Rotterdamse beeldend kunstenaars

“Organiseer jullie, sluit je aaneen, kom voor jezelf op,” riep Hugo Bongers op 11 juni 2014 in Tent tegen de daar aanwezige kunstenaars. “Sta bij ambtenaren en politici op de stoep om je belangen te verdedigen. Anders worden jullie onder de voet gelopen.”
 

Het was het emotionele slotakkoord aan het einde van een bijeenkomst, waarop de resultaten van een onderzoek naar de positie en beroepspraktijk van Rotterdamse beeldend kunstenaars werden gepresenteerd. Daarmee legde Bongers bewust verantwoordelijkheden zoals belangenbehartiging, waarmee – blijkens het onderzoek - (sommige) kunstenaars CBK en SKAR willen opzadelen, op hun eigen bord. Het zal overigens niet eenvoudig zijn zo’n samenwerking te realiseren. De neuzen staan meestal in verschillende richtingen. Galeriehouder (en juriste) Jannie Hommes bood juridische ondersteuning aan, mocht het tot een vereniging komen. Dat zou een goede zaak zijn. Nu zijn beeldend kunstenaars als beroepsgroep onzichtbaar.

Het onderzoek werd dit voorjaar in opdracht van CBK en SKAR uitgevoerd door bureau Motivaction, dat regelmatig onderzoeken doet in de culturele sector, zoals vrij recent naar de stand van zaken bij de Nederlandse galeries. Op de rapportage in Tent kwamen tachtig belangstellenden af, van wie ruim zestig professionele beeldend kunstenaars. Het werd een zinvolle en levendige bijeenkomst waarin onder leiding van Hugo Bongers aan de hand van drie kernthema’s: accommodatie, netwerk en inkomen, door het kunstenaarsbestaan werd gemarcheerd. Voor Hugo was dat marcheren rennen. Tijdens de 2,5 uur die de meeting duurde, spurtte hij als een atleet met de microfoon van hot naar her door het bloedhete zaaltje. Voor de thema’s kreeg hij ondersteuning van drie sidekicks: Karin Arink (accommodatie), Charl Landvreugd (netwerk) en Marijke Appelman (inkomen). Vooral Charl Landvreugd maakte indruk met zijn heldere uiteenzetting over de wijze waarop netwerken effect kunnen hebben. Karin Arink maakt deel uit van het collectief B.a.d. Haar bijdrage aan het thema Accommodatie werd beperkt door het feit dat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheden en het functioneren van SKAR, waar 55% van de Rotterdamse kunstenaars een atelier huurt. Omdat ook Appelman bij B.a.d. zit, had de avond een relatief groot B.a.d.-gehalte.

Tijdens de discussies bleek dat ook veel andere kunstenaars te weinig weten van SKAR of rondlopen met achterhaalde ideeën ( wachtlijsten waar geen einde aan komt).  Arink meende  dat SKAR-ateliers prijstechnisch niet haalbaar zijn voor jonge kunstenaars. SKAR-directeur Chris Bouma plaatste daar vraagtekens bij. “Er zijn wel degelijk mogelijkheden,” zei hij. “Jonge kunstenaars werken graag samen, delen dus een ruimte, waardoor die voor hen betaalbaar wordt. Wij staan daar open voor en bieden, waar mogelijk, faciliteiten”.  Hij wees in dit verband op het Rotterdam Collectief, een gezelschap enthousiaste jonge mensen dat een verdieping van RAUM aan het Stadhuisplein in gebruik heeft. Kuno Bakker van het Collectief toonde zich tevreden over de samenwerking met SKAR. “Wij zijn in de gelegenheid gesteld om de ruimte zelf in te richten, waardoor die aan onze behoefte voldoet,” merkte hij op. Zijn waardering past in het algemene beeld. Kunstenaars die bij SKAR ruimte huren, geven de organisatie een relatief hoog cijfer (7.6)
    

Beroepsgroep van overlevers

Voornaamste uitkomsten onderzoek     
De autonome kunst is – net als in de afgelopen decennia - het belangrijkste werkgebied van professionele Rotterdamse beeldend kunstenaars. Toegepaste kunst speelt een ondergeschikte rol. Vooral de traditionele disciplines zoals schilderen en/of tekenen, het realiseren van installaties, beeldhouwen en fotografie scoren hoog. (Zie profielschets disciplines) Daarbij is sprake van overlappingen. Veel kunstenaars beoefenen meerdere disciplines. In de beroepspraktijk treden, in vergelijking met het verleden, geen opvallende veranderingen op. Kunstenaars besteden ongeveer de helft van hun arbeidstijd aan creatief autonoom werk. Daarmee genereren zij gemiddeld een vijfde van hun inkomen; 50% van het inkomen verwerven zij door niet-kunstgerelateerde nevenarbeid. Ook kunnen veel kunstenaars hun beroep uitoefenen, doordat hun partner een inkomen heeft. Het financiële beeld wordt mede bepaald door het actuele economische en maatschappelijke klimaat, dat door het merendeel van de kunstenaars als ongunstig voor de kunst wordt ervaren. De tijdsbesteding en het inkomensbeeld maken duidelijk dat zij zich, ongeacht het rendement, vooral richten op hun kunst. Dat is  uitzonderlijk in een materialistisch opererende samenleving. Kunstenaars vormen een moreel en mentaal sterke groep overlevers. De naargeestige opvatting dat zij uitvreters of profiteurs zijn, mist elk grond. Een beperkte aantal (12%) maakt gebruik van een uitkering. Dat wijkt niet af van het landelijk gemiddelde, maar het is lager dan het R0tterdamse gemiddelde onder andere beroepsgroepen.  6% Ontvangt kunstsubsidies.

Realistisch beeld  
De doelstelling van het onderzoek was een helder en onafhankelijk inzicht krijgen in de wijze waarop professionele Rotterdamse kunstenaars hun beroep uitoefenen, in de technische ontwikkeling van het kunstenaarschap en de wensen en behoeften die voortvloeien uit (eventuele) wijzigingen van de beroepspraktijk. Voor het onderzoek zijn ruim 1300 kunstenaars benaderd via hun mailadres. Die doelgroep bestond uit mensen die ingeschreven zijn bij het CBK (ongeveer 1100 personen, een getal dat al jaren stabiel is) en/of een atelier huren van SKAR  of staan op de atelierwachtlijst. Van hen heeft een kwart aan het onderzoek meegewerkt: 24%, het gaat om 329 kunstenaars. Door het relatief hoge percentage is onderzoektechnisch sprake van een realistisch beeld, aldus Esther Cachet van Motivaction. Dat is wel vooral gebaseerd op de ervaringen van kunstenaars van middelbare leeftijd of ouder. Slechts 13% Van de deelnemers aan het onderzoek is jonger dan 35 jaar. Die cijfers lopen ongeveer synchroon met de leeftijdsopbouw van de huurders van SKAR. Ook die zijn in meerderheid van middelbare leeftijd, 28% Is tussen de 20 en de 40 jaar, voor de atelierwachtlijst is dat percentage 42%.

Chris Bouma zei in Tent dat hij nieuwsgierig is naar wat leeft onder jonge kunstenaars, ook al omdat hij meent dat SKAR hen wel iets te bieden heeft, zoals blijkt uit de ervaringen met het Rotterdam Collectief. “Maar het is kennelijk een doelgroep die wij moeilijk bereiken,”stelde hij vast.  CBK-directeur Ove Lucas heeft dezelfde ervaring. Ondanks het feit dat het CBK in de afgelopen periode getroffen is door forse bezuinigingen , bieden regelingen als de O & O subsidie, de investeringsregeling en het artists-in-residence programma kansen die ook – of misschien juist - voor jonge kunstenaars interessant zijn. Wel hikken veel kunstenaars tegen de procedures aan, die met het aanvragen van subsidies gepaard gaan. Daarbij speelt de factor tijd een rol. Met name Arink en Appelman brachten dat ter sprake. Werk en bijbanen slurpen de voorradige tijd op. Op een vraag van Bongers op welk terrein het CBK extra activiteiten zou kunnen ontplooien, kwam Appelman met een voorstel: “IK heb af en toe een beetje geld nodig voor ee expositie in het buitenland. Het zou goed zijn als het CBK daar iets aan kan doen. Moet dan wel snel gaan.”

Dienstverlening SKAR
Uit het onderzoek blijkt dat autonoom kunstenaarschap nog steeds een sterk individualistisch karakter heeft: 35% werkt uitsluitend alleen, 40% werkt af en toe samen. Ten aanzien van de dienstverlening van SKAR, is van behoefte aan nieuwe of andere faciliteiten dan tot nu toe geboden worden,  nauwelijks sprake. Wel wordt gevraagd om verbetering van de (digitale) communicatie, aandacht voor de huurprijzen en meer mogelijkheden om op tijdelijke basis werkruimte te huren. SKAR is al enige tijd actief op de sociale media en heeft daar inmiddels zeer goede ervaringen mee. SKAR medewerker Yvonne Wieringa: “Vooral de communicatie via facebook werkt uitstekend. Gebruik van social media biedt veel perspectief” Chris Bouma: “Ik zou de kunstenaars willen adviseren: laat iets horen, dan weet SKAR wat er leeft en kunnen we sneller schakelen.”Andere wensen die naar voren worden gebracht, liggen meer op het bord van het CBK of behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de kunstenaars. Het gaat dan bijvoorbeeld om het beschikbaar stellen van expositieruimte en hulp bij het organiseren van exposities, ondersteuning bij administratieve zaken en het in het leven roepen van een organisatie die de belangen behartigt van kunstenaars.

Online platform
Essentieel en door velen naar voren gebracht, is de behoefte aan een betere communicatie, bijvoorbeeld aan een on-line platform waar kunstenaars met elkaar in contact kunnen komen en het publiek kunstenaars en hun kunst kan vinden. Dit betekent overigens niet dat de ‘ouderwetse’ manier van met elkaar omgaan uit beeld is. Een kwart van de kunstenaars vraagt om (regelmatige) informatiebijeenkomsten over zaken die er toe doen. In dit licht moet ook de bijeenkomst over dit onderzoek op 11 juni in Tent worden gezien. Het idee voor het on-line platform past bij de hoge vlucht die internet en de sociale media hebben genomen. De meeste kunstenaars hebben een eigen website. 62% Maakt zakelijk gebruik van Facebook, 52% van Linkedin. Dat gebeurt vooral om anderen op de hoogte te stellen  van ontwikkelingen of het promoten van tentoonstellingen. Een op de vijf kunstenaars verkoopt werk via sociale media. Vrij algemeen (72%) is de opvatting dat je zonder netwerk als kunstenaar ‘nergens’ bent.

Vrijwel iedereen (85%) vindt artistieke vrijheid essentieel. In dit verband is de reactie op de term ‘cultureel ondernemer’ intrigerend: te commercieel en te veel opgelegd. Maar de helft vindt er genoeg ruimte in om te werken en een derde vindt de term bij zich passen. Het is in dit verband curieus om die merkwaardige bevoogdende term (een verzinsel uit de politieke trukendoos) op het inkomensplaatje te leggen, de culturele ondernemer die zich in leven houdt als kok of als postbode. Opmerkelijk is de sterke verbondenheid van de kunstenaars met de stad Rotterdam (74%). De helft zegt zelfs dat de stad hem/haar inspireert in zijn of haar werk. Dat neemt niet weg dat men ook overal elders, nationaal of internationaal, aan de slag gaat als de gelegenheid zich voordoet. Ongeveer een vijfde van de kunstenaars heeft een nauw contact met de wijk waarin hij of zij werkt. Belangrijk want het is een bijdrage aan de verbetering van de leefbaarheid in oudere stadsdelen. Dat dit tot resultaten leidt, blijkt bijvoorbeeld uit de impulsen die wijken als Charlois hebben gekregen door de intensieve betrokkenheid van kunstenaars. Punten van kritiek over de stad: Rotterdam heeft te weinig ontmoetingsplaatsen voor kunstenaars (37%) en het inhoudelijk debat wordt in Rotterdam te weinig gevoerd (38%). Misschien kan het online platform, als dat van de grond komt, hierbij een helpende hand bieden.
Het volledige rapport vindt u op de Facebook-pagina van SKAR.

 

SKAR_Journaal_juni2014.png

 

Bron: SKAR Journaal (Stichting KunsAccommodatie Rotterdam), door Jan Donia juli 2014

 

Download het artikel 'SKAR over positie Rotterdamse kunstenaars'.

Facebook Twitter LinkedIn