Een nieuw pensioencontract, herstel van vertrouwen

In december 2016 schreef Mathijs Bouman in het FD het eindejaarsfeuilleton, getiteld “Storm in de pensioenstraat”. Aan het eind van het feuilleton staat de voorzitter van een pensioenfonds in de besneeuwde puinhopen van het bezweken pensioengebouw om zich heen te kijken en prijst zich gelukkig met een officieel rapport waarin geconcludeerd wordt dat er niets aan de hand is, alles zal goed komen, jongeren zullen het pensioengebouw komen redden. “Grote bakstenen dalen op de voorzitter neer. Nog net tijd voor één gedachte: ”Niets aan de hand, alles komt goed”.

 

Het feuilleton van Mathijs Bouman laat zien hoe er buiten de pensioensector aangekeken wordt tegen de pensioensector. Met name tegen de instituties in de sector, zoals de pensioenfondsen en de Sociaal Economische Raad (SER). Dat is geen mooi beeld, het is een beeld van instituties die onvoldoende kijk hebben op de veranderingen in de omgeving en die vooral terugkijken op de vele mooie resultaten die in het verleden zijn behaald. Helaas, zoals bekend, resultaten uit het verleden bieden geen garanties voor de toekomst.


Gelukkig is het beeld ook niet terecht. Het pensioengebouw is (nog) niet ingestort en er zijn voldoende fondsbestuurders die zich realiseren dat de wereld verandert en dat er tegen instituties als een pensioenfonds anders aangekeken wordt dan in het verleden. De SER heeft al in 2015 aangegeven dat er voldoende redenen zijn om het stelsel op de schop te nemen. De Pensioenfederatie heeft veel energie gestopt in het uitwerken van de verschillende door de SER aangedragen varianten. Maar inmiddels is het 2017 en wordt het tijd keuzen te maken.

 

Waarom veranderen?
In de SER-verkenning uit 2015 wordt een aantal ontwikkelingen genoemd die aanpassing nodig maken. Ik noem er een paar:

  • Het risico is in de afgelopen jaren in toenemende mate verschoven naar de deelnemers en gepensioneerden.
  • Het stelsel is te rentegevoelig.
  • Het stelsel sluit onvoldoende aan bij de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
  • Pensioenen is voor de deelnemers onbegrijpelijk. 

 

De relevantie van deze ontwikkelingen wordt door niemand bestreden. De risicoverschuiving is het duidelijkst kenbaar bij regelingen die formeel nog een DB-karakter hebben, maar feitelijk een CDC zijn doordat de premie voor vijf jaar vastgezet of gemaximeerd is. De gevolgen van de renteontwikkeling op de dekkingsgraden ziet iedereen dagelijks in de krant. In ieder geval in de ogen van Coen Teulings is die lage rente ook geen tijdelijk gegeven. In zijn ogen is die lage rente vooral een logisch gevolg van de introductie van de anticonceptiepil in de jaren zestig. Dat het stelsel voor de meeste deelnemers onbegrijpelijk is, blijkt wel uit een onderzoek dat de Pensioenfederatie in 2016 door Motivaction liet doen onder 1900 deelnemers in kapitaal gedekte pensioenregelingen: 70% van hen denkt deel te nemen in een omslagregeling.

 

In de afgelopen twee jaar is er voldoende gerekend en geanalyseerd aan verandervarianten. Pensioenuitkomsten worden bepaald door de premie-inleg, de levensverwachting, renteontwikkeling en de rendementen. Als we die gelijkstellen voor alle varianten zijn de uitkomsten in pensioentermen ook vergelijkbaar. De verschillen ontstaan door keuzen over vragen als: welke mate van bescherming wil je bieden? En welke mate van discontinuïteitsrisico wil je lopen? Fundamentele keuzen over de vraag wat we willen bereiken met ons pensioenstelsel en wat daarin wel en niet realistisch is.

 

Kort gezegd hebben we alle alternatieven die je onder de motorkap van het pensioenvoertuig kunt stoppen wel bekeken, nu wordt het tijd de vraag te beantwoorden wat voor een auto we eigenlijk willen hebben en waar we die voor willen gebruiken. Als we die vragen beantwoord hebben zijn er voldoende technici beschikbaar om dat onder de motorkap voor elkaar te boksen. Hier vraag ik vooral aandacht voor één aspect: wat kunnen we doen om het vertrouwen van de deelnemers in de institutie pensioenfonds te herstellen?

 

Herstel van vertrouwen is de belangrijkste uitdaging
Instituties als pensioenfondsen die beloften doen over in de (verre) toekomst uit te keren bedragen doen een groot beroep op het vertrouwen van de deelnemer in die institutie. Wanneer, zoals nu gebeurt, ook voor de deelnemer duidelijk wordt dat die beloften niet altijd kunnen worden nagekomen ontstaat al snel een vertrouwenscrisis. Zeker in een politiek maatschappelijke omgeving waarin het vertrouwen in instituties in het algemeen al laag is.


Instituties als pensioenfondsen vervullen idealiter de rol van ‘buffer’ tussen aan de ene kant het individu, die vooral een stabiele pensioenuitkering wenst, en aan de andere kant de onzekere wereld van de financiële markten en de onzekerheden als gevolg van de demografische ontwikkelingen. In hun hoofdstuk “Een stabiel pensioen in een instabiele wereld?” laten Jean Frijns en Benne van Popta1 zien dat pensioenfondsen deze rol steeds minder kunnen vervullen: “Pensioenfondsen hebben geen buffers meer, financiële instabiliteit wordt doorvertaald naar de deelnemers”.

Bovendien laten zij in dit artikel zien dat we er niet op hoeven te rekenen dat het mogelijk is om betrouwbare uitspraken te doen over de langetermijnontwikkeling van de financiële markten. Ook de mogelijkheden om stabiliteit te bieden door een beroep te doen op de (toekomstige) premie van de actieven is door de demografische ontwikkeling niet meer aan de orde. “Niet omdat we dat niet meer willen, maar omdat het niet meer kan”. Nog steeds is er ruimte voor een institutie als een pensioenfonds. Juist de grote mate van onzekerheid maakt het rationeel om risico’s te delen in een collectief. Risicodeling in een collectief maakt het mogelijk om grote onevenwichtigheden in pensioenuitkomsten tussen zogenaamde ‘pech-’ en ‘gelukgeneraties’ te voorkomen.

 

Risicodeling kan ver en minder ver gaan in de zin van de te delen risico’s, maar ook in de zin van de kring waarmee risico gedeeld wordt. Risicodeling, of anders gezegd solidariteit, veronderstelt een institutie die dat kan organiseren en waarbij de deelnemers de ratio en de fairness daarvan inzien. Daarvoor is een institutie nodig die het vertrouwen van de deelnemers geniet. Dat vertrouwen is alleen weggelegd voor een institutie die expliciet aan de deelnemers laat zien wie met wie solidair is en wat dat voor elk van de deelnemers betekent. Risicodeling veronderstelt immers dat de gelukgeneratie een deel van haar ‘winst’ deelt met de pechgeneratie. Risicodeling vraagt om continuïteit. De verplichtstelling is een adequaat middel om deze te bewerkstelligen. Deze continuïteit biedt pensioenfondsen bovendien de mogelijkheid om het beleggingsuniversum te vergroten.

 

In vier stappen naar herstel van vertrouwen
Stap 1: Stop met het doen van ‘zekere’ beloftes
De pensioenfondsen hebben niet meer de stabilisatiekracht van vroeger. Zekere beloften over een verre toekomst zijn niet meer realistisch. Stop dan ook met het aan een dertigjarige voor te spiegelen wat zijn pensioen over 40 jaar wordt. Maak liever duidelijk wat je nu voor die 30-jarige in het vat hebt en wat je doet om daar een zo goed mogelijk resultaat mee te bereiken.

 

Stap 2: Maak de communicatie persoonlijk
Een tweede stap op weg naar herstel van vertrouwen is te laten zien dat je als pensioenfonds in je communicatie aansluiting hebt bij de vragen en de leefwereld van de deelnemer.
De vragen van een 30-jarige zijn anders dan een 60-jarige. Richt de communicatie daar ook op in en maak het meer persoonlijk. Het pensioenfonds als een niet-winstbeogende trusted partner bij de financiële planning.

 

Stap 3: Expliciteer de transfers als gevolg van risicodeling
Een derde stap op weg naar herstel van vertrouwen is het expliciteren van de onderlinge solidariteit binnen het pensioenfonds, het expliciet maken van de spelregels en het expliciet maken van het aandeel van elke individuele deelnemer daarin. Alleen wanneer de deelnemers zelf het nut inzien van de collectieve risicodeling, niet alleen in termen van de bescherming die het biedt in kwade tijden, maar ook in termen van de kosten, is de risicodeling houdbaar.

 

Stap 4: Stop met het doorschuiven van tekorten naar toekomstige generaties

Een fundamentele keuze, waarover zeer verschillend wordt gedacht, is de vraag in hoeverre je bij de risicodeling ook een beroep kunt doen op de toekomstige deelnemers. Impliciet doet elk DB fonds met een dekkingstekort dat nu al, immers de werknemer die toetreedt tot een fonds met een dekkingstekort wordt mede aandeelhouder in dat tekort. Met deze simpele constatering is ook meteen duidelijk dat een dergelijke vergaande risicodeling alleen mogelijk is met een verplichte deelname, immers niemand zal vrijwillig toetreden tot een fonds met een tekort.


Voordeel van een brede kring van risicodeling, dus inclusief toekomstige generaties, is dat de stabiliserende werking en dus de bescherming van elke deelnemer sterker wordt.


Nadeel is dat een belangrijk discontinuïteitsrisico ontstaat, tekorten worden niet vertaald in kortingen bij de deelnemers, maar worden doorgeschoven naar de toekomst.


Het pensioenfeuilleton van Mathijs Bouman eindigt niet voor niets met de cynische constatering dat de voorzitter nog steeds kan denken dat er niets aan de hand is. De uitkeringen kunnen gewoon betaald blijven worden doordat de jongeren het stelsel komen stutten. Het feuilleton maakt zo duidelijk dat het doorschuiven van tekorten naar toekomstige generaties niet bijdraagt aan het vertrouwen in het pensioenstelsel. Dit brengt ons bij de vierde stap op weg naar vertrouwen in het stelsel: stop met het doorschuiven van tekorten naar toekomstige generaties. 

 

Bron: Pensioen Bestuur & Management, 25.4.2017

Facebook Twitter LinkedIn